Firmin Swinnen

Firmin Swinnen 

Scherpenheuvel,        12/11/1885 
Wilmington, DE (US), 18/04/1972


Biografie:

Vader Swinnen, die de eigenaardige voornaam Tryphon droeg, was niet alleen koster en organist in de Basiliek van Scherpenheuvel, maar ook dirigent van het volwaardige symfonische orkest dat er in die dagen actief was. Na verloop van tijd koos Tryphon ervoor om naar het rustigere Herselt te verhuizen, waar hij organist werd. Van zijn vijf kinderen bleek Firmin-Marie-Jospeh de meest muzikale: hij kreeg les van zijn vader en verving hem regelmatig aan het orgel. 

Firmin ging in het Antwerpse Conservatorium orgel studeren en volgde er les bij Arthur De Hovre, Paul Gilson, Emile Wambach en Jan Blockx. Enkele bronnen nemen ook aan dat hij orgelles volgde bij Callaerts, maar aangezien Callaerts stierf in 1901, toen Swinnen pas 15 was, kan Swinnen niet heel lang les van hem hebben gehad. In 1907 studeerde Swinnen af in de klas van De Hovre en behaalde hij de Callaerts-prijs voor orgel. 

Nadien trok hij ook nog naar het Lemmensinstituut in Mechelen om het diploma van koster-organist te behalen. In 1913 studeerde Swinnen af, trouwde hij met Auguste Vantilt en werd hij organist van de Sint-Walburgakerk (Volksstraat) in Antwerpen. Maar kort daarna barstte de Eerste Wereldoorlog uit en het gezin zag zich gedwongen om naar Engeland te vluchten. Daar speelde "Professor" Swinnen, die gepromoot werd als één van de organisten van de Antwerpse Kathedraal, in de periode 1914-1915 ongeveer 260 recitals voor een totaal publiek van ongeveer 100.000 mensen, ten voordele van de Belgische oorlogsslachtoffers. 

In 1916 emigreerde de familie Swinnen naar Amerika. Amper een week na hun aankomst in New York City organiseerde Gustave Döhring, die bij de theaterorgelbouwers Hillgreen-Lane werkte, een ontmoeting tussen Swinnen en de impresario Samuel "Roxy" Rothapfel, de eigenaar van de Broadway filmzalen en latere stichter van het 'Roxy Theatre' (1927). Swinnen werd gevraagd om een stille film te begeleiden, iets waarvan Roxy zo genoot dat hij Swinnen onmiddellijk in dienst nam in het beroemdste theater van New York: het Rialto. In 1917 werd om de hoek het spectaculaire Rivoli Theatre geopend, waar Swinnen aan de slag kon. 

Vanaf dan vestigde hij voorgoed zijn reputatie van alles-speler en alles-kunner. Hij speelde er op een vierklaviers Estey-orgel werkelijk alles wat maar in films kon gebeuren, gaande van onweersbuien, vliegtuigen, verkeerschaos, treinongelukken tot niesbuien, insecten, hondengeblaf en het ontkurken van flessen. Zijn carrière verschoof op dat moment van de sfeer van kathedralen naar die van de cinemazalen, zoals The American Organist in september 1944 noteerde: "and soon he was justly famous in music circles for the persistent sparkle and spontaneity of his playing on Broadway; it is possibly safe to say that he remained the only organist who could work his full shifts in endless procession, seven days a week, and never deteriorate either in style or content. He had a great memory and was equally great in improvisation."

In 1922 werden de Swinnens Amerikaanse staatsburgers en in oktober 1923 verhuisden ze van New York naar Philadelphia, waar Swinnen hoofdorganist zou worden van het nieuwe Aldine Theatre. Gekonkel in het theater zelf zorgde ervoor dat de hele onderneming na een tijd afgelast werd. Gelukkig voor Swinnen had de secretaris van Pierre S. Dupont één van zijn recitals gehoord, waardoor Swinnen uitgenodigd werd om deel te nemen aan de reeks concerten die deze rijke industrieel in 'zijn' Longwood Gardens organiseerde. Dupont had fortuin gemaakt in de chemie maar was ook ontwerper, impresario, ingenieur, natuurliefhebber en filantroop. Hij had in 1906 het domein Longwood Gardens gekocht, een verzameling botanische tuinen en natuurgebieden van meer dan 400 hectaren groot in Kennett Square, Philadelphia. In de wintertuin van Longwood Gardens had Du Pont in 1921 een groot orgel van 63 registers laten plaatsen. Het idee om een huisorgel te bezitten was in Amerika "bon ton" onder de allerrijksten: hoe groter en spectaculairder het orgel, hoe bekender en populairder de organist, hoe beter. 

Op 19 november 1922 speelde Swinnen er zijn eerste recital, met op het programma onder meer zijn eigen Chinoiserie en het eerste deel van de Vijfde Symfonie voor orgel van Widor, met de beroemde cadens voor pedaalsolo die Swinnen er zelf voor had gecomponeerd. Dupont was onder de indruk: in 1923 speelde Swinnen er acht keer, in 1924 speelde hij er zesentwintig keer - en vanaf september van dat jaar werd hij in dienst genomen om elke week een recital te geven. Zijn laatste contractuele concert gaf hij op 29 april 1956: het was zijn 1516e in Longwood. Swinnen legde zichzelf erg hoge normen op voor die concerten, zoals hij vertelde in een interview in The Star uit 1934: hoewel hij elke week maar één concert moest spelen van twee uur lang, met ongeveer 18 à 20 werken, toch koos hij ervoor om nooit binnen de vier maanden hetzelfde stuk opnieuw te spelen, tenzij op verzoek. Hij studeerde vier uur per dag en speelde altijd (!) uit het geheugen. 

In 1929 mocht Swinnen aan Dupont zijn verlangens te kennen geven voor de bouw van een nieuw orgel voor de Balzaal in Longwood Gardens. Het werd een Aeolian Pipe Organ, ontworpen door Swinnen en gebouwd door de Votey Organ Company in Garwood: een instrument dat ook via rollen volledig zelfstandig kon spelen. Het bevat 10.010 pijpen, 146 registers, 4 klavieren en pedaal. Er zijn vijf 32-voetsregisters, een akoestische 64-voet (met de toepasselijke titel "Gravissima"), 21 percussieregisters waaronder een echte harp, pauken, gongs, een celesta en een ingebouwde concertvleugel die bediend kon worden vanuit de orgelspeeltafel. Dit enorme instrument was en is nog steeds verborgen achter de wanden van de balzaal: enkel de speeltafel en de organist (als hij zelf speelde) waren te zien. 














Swinnen was niet alleen actief in Longwood Gardens, hij werd ook in 1925 organist en koordirigent in de parochie van Christ Church (Greenville/Wilmington, Delaware), waar hij in dienst bleef tot in 1956. Daarnaast bouwde hij verder aan zijn carrière als concertorganist: hij was regelmatig te horen op het orgel van de Wanamaker Store in Philadelphia (het grootste speelbare orgel ter wereld, verdeeld over de zeven verdiepingen van een warenhuis) en verzorgde in 1930 de inspeling van het nieuwe orgel in Riverside Church (New York). Hij gaf ook in de periode 1930-1936 ten minste 63 recitals in de Universiteit van Delaware, waar het vroegere orgel van Longwood Gardens naartoe was gegaan na de bouw van het nieuwe orgel. 

Hoewel Swinnen vooral gekend was voor zijn uitvoeringen en zijn improvisaties, toch zijn de composities en transcripties die hij voor orgel maakte tot op vandaag de moeite waard. Naast de eerder genoemde orgelwerken verschenen van hem nog The Motion Picture Organist, Longwood Sketches en The Theatre Organist. Verschillende Vlaamse liederen die hij componeerde voor WO I werden uitgegeven in Antwerpen; in Amerika publiceerde hij nog Engelstalige kerkmuziek.

© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Annelies Focquaert

10-100-pipes-one-of-the
organpipes
organ
longwood-gardens-ballroom
Swinnen007